Een debat over (im)migratie, zoals minister De Jonge deze week heeft aangekaart, moet wel over (economische) feiten gaan, betoogt Leo Lucassen, directeur onderzoek bij het ISG en hoogleraar aan de Universiteit Leiden

Vorige week uitte CDA-minister Hugo de Jonge zijn zorgen over immigratie. ‘Het huidige aantal immigranten is te hoog’, zo liet hij het AD optekenen. En in de NRC liet hij weten een bovengrens te willen, zonder overigens een getal te noemen.

Solidariteit

Als belangrijkste reden voor zijn zorgen noemde hij dat mensen onzeker worden en dat immigratie de solidariteit ondermijnt, zonder overigens concreet te maken wat hij daar precies mee bedoelt. Nu is het een feit dat er zich sinds een jaar of vijf jaarlijks veel mensen in Nederland vestigen. Het afgelopen jaar zo’n 272 duizend, volgens het CBS. Daarbij gaat het niet om migratie uit Turkije of Marokko, zoals sommigen denken, want die stelt al twintig jaar – onder meer door strengere wetgeving – nauwelijks meer iets voor.

Het betreft, naast terugkerende ­Nederlanders (34 duizend), vooral EU-burgers (115 duizend), niet EU-burgers die hier met een visum komen werken, wonen of studeren (107 duizend) en tot slot asielzoekers die als vluchteling worden erkend en hun gezinsleden (16 duizend). Zoals ieder jaar vertrekken er ook veel mensen uit Nederland (circa 150 duizend).

Blijft over een positief migratiesaldo van zo’n 120 duizend in het af­gelopen jaar. Als je dat als politicus te veel vindt, dan zul je ook aan moeten geven hoe je dat wil bereiken.

Draaiknop

De eerste knop waar je aan kunt draaien, is die van de werkvisa die ­Nederland afgeeft aan niet EU-burgers, zoals hooggeschoolde informatici en technici uit India, China, Maleisië, Amerika, et cetera, met een bovenmodaal salaris en daarnaast aan studenten in het hoger onderwijs. Stel dat je hun aantal met een kwart vermindert, dan heeft dat grote gevolgen voor bijvoorbeeld de high-tech­industrie, zoals ASML, in de regio Eindhoven, maar ook voor universiteiten en onderzoeksinstellingen.

De tweede knop waaraan je kunt draaien, is het vluchtelingenbeleid. Je zou de, toch al strenge, criteria nog verder kunnen aanscherpen of zelfs het vluchtelingenverdrag helemaal kunnen opzeggen. Maar – afgezien van politieke en humanitaire bezwaren – dat levert op het totaal niet veel op.

Resteren de arbeidsmigranten en studenten uit EU-lidstaten, die onder de huidige wet- en regelgeving vrije toegang tot de arbeidsmarkt en onderwijs hebben. Net zoals Nederlanders dat elders in de EU hebben.

Polen en Roemenen

Onlangs pleitten Lilian Marijnissen (SP) en Gert-Jan Segers van de ChristenUnie voor het opnieuw invoeren van een vergunningenstelsel om zo aan de komst van met name Polen en Roemenen voor lager geschoold werk een halt toe te roepen. Met als belangrijkste argument dat deze werknemers vaak worden uitgebuit en hier woonachtige arbeiders verdringen.

Even los van de juridische en verdragstechnische haken en ogen van zo’n stap, is het zeer de vraag of dit de gesignaleerde problemen zal oplossen. Om te beginnen is de vraag naar dit soort werk (land- en tuinbouw, slachthuizen, distributiecentra) veel groter dan het potentiële aanbod. Daar komen dan de kosten van een bureaucratisch vergunningensysteem bij, zonder dat daarmee uitbuiting wordt uitgebannen. Die was er immers ook volop toen zo’n systeem voor Europese werkkrachten nog bestond. Sterker nog, het binden van buitenlandse arbeiders aan één specifieke werkgever leidt niet zelden tot méér uitbuiting, omdat die dan niet met hun voeten kunnen stemmen.

Als je echt iets aan uitbuiting en verdringing (die er overigens nauwelijks is) zou willen doen, dan zijn het verhogen van het minimumloon, het reguleren van arbeidstijden en een veel betere arbeidsmarktcontrole veel probatere middelen.

Sociaal contract

Al die maatregelen lijken mij in verband met een beter sociaal contract sowieso aan te bevelen. Maar ook dat zal het aantal immigranten maar voor een klein deel verminderen. Temeer omdat de vergrijzing in de komende jaren alleen maar doorzet.

Kortom als je het migratiesaldo substantieel omlaag zou willen brengen, dan moet je bepaalde sectoren inkrimpen, geen buitenlandse studenten meer toelaten en lagere economische groei (of negatieve groei) accepteren. Alleen daar heb ik minister De Jonge nog niet over gehoord.

En zolang hij, en andere politici, niet duidelijk maken hoe ze de immigratie willen verminderen, blijft het bij een loos gebaar voor de bühne, met als gevolg dat kiezers – die toch al ontvankelijk zijn voor dit restrictieve geluid – alleen maar cynischer worden over mainstream politieke partijen en nog meer in de armen worden gedreven van radicaal-rechtse partijen, die immers wel beloven een rigoureus einde te maken aan ­migratie.

Dat betekent niet dat er geen discussie zou mogen zijn over migratie. Graag zelfs, want de ermee gepaard gaande bevolkingsgroei vergt planning en langetermijnbeleid. Alleen moet die discussie dan wel worden gevoerd op grond van feiten en in de bredere sociale en economische context. Gebeurt dat niet, dan is een oprisping zoals van minister De Jonge koren op de molen van xenofobische politici en huilen met de wolven in het bos.

Artikel in de Volkskrant